Op naar de piepers!

“Zo, wat eten jullie vanavond?” Het lunchgesprek op kantoor wordt op gang gebracht door een van de collega’s die ondertussen een hap neemt van zijn bruine bammetje kaas. Gehaktballen, stamppotten en vlaflippen vliegen over tafel. Ik volg het gesprek en mijn gedachten dwalen af.

Ze dwalen af naar mijn favoriete eethuisjes; de Vietnamees op de Meent waar ik de lekkerste vissoep eet, de Chinees op de Kruiskade met de heerlijkste dumplings, de Chinees in de Pannekoekstraat waar ze – het is vast geen toeval – de beste Chinese pannenkoek serveren. De Surinamer in de Witte de Withstraat waar we ook op een nachtelijk tijdstip terecht kunnen, de Turk achter het Centraal Station… Mijn gedachten draaien door en door.

Terwijl ik nog iemand wat hoor mompelen over rookworst en aardappelen, hoor ik naast me: “En jij dan, Madelon?” Na mijn multiculti-culinaire gedachtenspinsels is mijn keuze nog niet gemaakt. Ik weet wat er komt als ik ga antwoorden dus ik twijfel nog even, maar kies er dan toch voor om mijn gedachte te delen: “Euhm, ik denk dat ik Hu Tieu ga eten, Vietnamese vissoep.”

En ja hoor, daar is ‘ie: “Zie je wel, jij eet altijd zo gek! Dat is zeker heel gezond of zo?” Het is zo’n vraag waarop geen antwoord wordt verwacht. De ‘oude garde’ start een gesprek over eten waarin vooral de vraag centraal staat wat er toch mis is met het traditionele prakkie.

Begrijp me niet verkeerd, er is helemaal niets mis met de Hollandse pot. Een stamppotje op zijn tijd kan ik ook waarderen. Maar eten is voor mij een hobby. Ik vind het heerlijk alle verschillende keukens te proeven zonder daarvoor op reis te gaan. Om internationaal te eten in mijn eigen stad. Om elke keer weer een nieuwe cultuur te proeven, onbekende smaken te ontdekken en bijzondere eetervaringen op te doen.

De gedachte aan de dampende kom Hu Tieu maakt dat ik de taken op mijn to-do-list als een malle kan afstrepen. Hupsa, klaar! Watertandend en met een lach op mijn gezicht loop ik door het kantoor. “Zo, op naar de piepers, hè jongens?! Eet smakelijk allemaal en tot morgen!”

Deze column verscheen in Gers! Magazine #15